Het gezicht
van Oost

Interesse, tijd, aandacht, mensenkennis, camera, pen, papier en een gezonde dosis nieuws­gierigheid zijn hoofd­ingre­diënten voor dit project uit 2014 geweest.

Ter ondersteuning van de projectgroep Binnenstebuiten in het verpleeghuis is Het gezicht van Oost ontstaan. Een project om de buurt kennis te laten maken met het verpleeghuis. 40 interviews en heel veel cameraklikjes later is het gelukt en stond er een verrassende tentoonstelling in het Flevohuis in Amsterdam Oost. Het is een afspiegeling van de buurt: jong, oud, hier geboren of net aangekomen, arm of rijk, gelukkig of juist niet. Een dwarsdoorsnede in tekst en beeld.

ROOIE

‘Arie, zo noemen ze mij. Vroeger noemde ze me “rooie” omdat ik vuurrood haar had. Eigenlijk heet ik Arthur Otto.

Toen ik 14 jaar was kwam ik te werken in een dropfabriek in Amsterdam. Ze zouden mij het vak leren. Na veertien dagen had ik het gezien. "Ik ken het vak hoor!" en weg was ik. Daarna heb ik mijn leven lang op de vrachtwagen gezeten. Alle landen van Europa heb ik gezien. Prachtig vond ik het.

Mijn vrouw Martha en ik woonden jaren hier in de Atjehstraat. Mijn meissie…ze is plotseling overleden in 2009. Ik kan er nog steeds niet aan wennen. 45 jaar waren we samen… In dit huis is ze gestorven en dat wil ik ook!

Vroeger had ik een bootje, en dan ging ik met mijn vrouw visjes vangen. Oh, ze vond het heerlijk in die boot! Nee, die vissen waren voor onze beesten: Teddy en Bassie.

Ach, die beessies zijn mijn leven, ze vervelen me nooit. Ze geven zoveel liefde. En als ik zeg: "Krijg ik een toetie?!" dan geeft de kat mij een kusje, echt waar!

Nog zoiets. Mijn vrouw en ik waren op visite bij een vriend van mij. Hij vertelde me dat hij het niet meer kon opbrengen om zijn hond elke dag uit te laten, al die trappen op en af, hij woonde elf hoog! Hij zegt: "wil jij die hond niet?!" Moet je je voorstellen, ik zat bij hem op de bank en mijn vrouw tegenover ons. En die hond zat precies tussen ons in op de grond. Hij keek naar haar, hij keek naar mij en ineens springt hij op mijn schoot en begint mijn hele gezicht af te likken. Is het niet geweldig? Die hond heeft mij uitgekozen in plaats van andersom!’

REIZEN EN DANSEN

‘Mijn vader is Chinees en mijn moeder Surinaams van Joodse afkomst. Hilda is mijn naam maar iedereen noemt me Hill. Mijn man heet Clifford. "Cliff en Hill" worden we genoemd. Ik ben de heuvel en hij de afgrond!’ Ze lachen allebei.

Hilda is 81 jaar. In Suriname was ze bankemployé. Eenmaal in Nederland is ze met haar baby op de arm gaan solliciteren bij Publieke Werken op de Herengracht. ‘Ze waren geen donkere baby’s gewend, dus ze vonden het prachtig! Hij mocht gewoon op het bureau van de ambtenaar zitten tijdens de sollicitatie. Ja, ik werd aangenomen!’

Reizen en dansen deden ze graag samen. Haar man knikt instemmend. ‘We hebben alle landen bezocht waar onze voorouders vandaan kwamen. Onze laatste reis samen was vier jaar geleden naar Zuid-Afrika en zeer indrukwekkend. Onze vier kinderen hebben dat geregeld. Cliff was toen al aan het dementeren. Toch hebben we het gedaan. Precies op zijn 80ste verjaardag!’

‘Ik woon op de KNSM-Laan en kijk op de plek waar we ooit voor het eerst voet op Nederlandse bodem hebben gezet. We kwamen met een vracht- en passagierschip hierheen gevaren. We deden er een week over. Dit is nu mijn uitzicht, en heb daar fijne herinneringen aan.’

ZES JONGENS BIJ DE SPEELPLAATS

Taha Aksu (met de gele schoenen): ‘Mijn achternaam betekent Stromend Water of Waterval.’

Deaqan: 'Mijn bijnaam is Straatrat.’

Amine (met de blote knieën): ‘Kleine Rat word ik genoemd.’

Younes: ‘Jones noemen ze mij.’ (Uitspreken op z’n Engels.)

Mohammed: ‘Azijn zeggen ze tegen mij’.

Tallal: ‘Mijn naam betekent Koning in het Pakistaans.’

Voetballen is de hobby van deze vrienden uit groep 8. Ze zijn allemaal 11 jaar oud en geboren in Amsterdam-Oost.

VEEGPLOEG VALENTIJN

Fred loopt de hele dag buiten. Hij werkt bij Stichting Regenboog.

‘Ik verwijder zwerfvuil van de straten en parken. Het geeft me voldoening. Je komt gezond moe thuis. Dat is wel even beter dan de hele dag bier drinken in het park. We krijgen 10 euro per dag voor dit werk, en een half pakje shag, vijf biertjes en een warme maaltijd.’

Fred is de voorman van de ploeg. ‘Ik probeer de jongens aan te sturen en de sfeer goed te houden en bepaal de route die we lopen.’

Hij is er niet trots op dat hij alcoholist is, maar wel dat hij iets goeds voor de gemeenschap doet. ‘De buurtbewoners complimenteren me regelmatig; ze zijn blij dat de straat zo schoon is. Ze zien dat ik echt alles opraap. Zelfs een snoeppapiertje vergeet ik niet!'

Geloof, hoop en liefde : deze tattoo is ter nagedachtenis van zijn vrouw Marrie. ‘De tatoeage Het gebed, met de gevouwen handen, geeft me kracht. En de onderste tatoeage, op mijn buik, is het wapen dat keizer Napoleon ooit aan de gemeente Amsterdam schonk. Alleen heb ik het wapen van Apeldoorn erin gezet, want daar ben ik geboren. Maar wel met het Amsterdamse motto. Want vastberaden, heldhaftig en barmhartig ben ik zeker!’